Ik zit aan de keukentafel, zondagmiddag rond de klok van half één, met de smaak van een achterovergeslagen bak koffie nog in de mond en het zachte, waterige geluid van de vaatwasser op de achtergrond. Details die niet verzonnen zijn door Copilot, maar gewoon in het echt door mezelf opgemerkt; details die als tekst nu hun weg tot deze column hebben gevonden. Ik zit te mijmeren. Gedachtenspinsels die vooral nergens heengaan trouwens. Rondjes draaien zonder ergens definitief op uit te komen.

Met onze pdw-supervisiegroep besloten we een week of wat geleden, onder de enthousiaste leiding van een oud-collega, om A.I. actiever een plek te geven in ons werk. Of in ieder geval eens met elkaar te onderzoeken wat nuttig kan zijn. Hoe we het eventueel in kunnen zetten. Eigenlijk kunnen we er niet meer goed omheen. Het kan ons namelijk enorm helpen om ons eigen beperkte tempo van informatieverwerking wat op te schroeven. In het schrijven van verslagen, het helpen interpreteren van een veelheid aan diagnostisch materiaal, en zelfs in het vinden van de juiste taal, om tot een gebruiksvriendelijker en leesbaarder verslag te komen. Weg met het psychologenjargon. Ruimte maken voor ‘jip-en-janneketaal’ die je psychologisch onderzoek, en al die ingewikkeld klinkende interpretaties die eruit voortvloeien, een heel stuk toegankelijker maken voor die ene mens om wie het allemaal gaat. Juist. De cliënt zelf.

Copilot kan echt helpen. Zo is de belofte. Waar wij regelmatig veel tijd nodig hebben om zelf tot een professioneel en goed leesbaar rapport te komen, zo kan A.I. in een paar seconden je samenvatting klaar hebben, de belangrijkste punten uit je verslag hebben gehaald, én, zo blijkt tijdens onze supervisie, nog heel, heel veel meer.

Bij ons thuis is iets als A.I. echter een vies woord. Het gebruik ervan stuit in ons gezin al snel op felle kritiek. Dit komt niet alleen vanwege iets als misbruik door klasgenoten op school, als er bijvoorbeeld opdrachten zijn te maken zoals een profielwerkstuk voor het havo-examen. Mijn dochter legt op eigen initiatief de lat best hoog voor zichzelf. Ze vindt dat je beter zélf na kunt denken. De antwoorden die je zoekt zijn op zoveel andere manieren te vinden dan via ChatGPT. Klasgenoten zijn dom als ze blindvaren op A.I., zo is haar stellige overtuiging.

Veel zwaarder telt voor haar de enórme belasting van het gebruik van A.I. op het milieu. Want die A.I. slokt dorstig grote hoeveelheden energie op en verbruikt kostbaar water. De datacentra die nodig zijn hebben een onverzadigbare energiehonger door wat wij van ze vragen. A.I. wist me zojuist te vertellen – Google, want ik wist dit niet uit mijn hoofd – dat de CO₂ uitstoot van techreuzen in 2022 al met 37% ten opzichte van het jaar ervoor was gestegen. Dat die datacentra over een aantal jaar tot 50% van de totale wereldwijde energievraag voor hun rekening zullen nemen. De CO₂ uitstoot is inmiddels groter dan de hele luchtvaartindustrie.

Nu hebben wij onlangs voor een paar duizend euro ons bedrijfsbusje opgeknapt, inclusief een peperduur filter om uitstoot tegen te gaan. Bekeken vanuit het perspectief milieu-impact zakt me de moed wel een beetje in de schoenen. Iets met water naar de zee dragen. Misschien draag ik wel veel meer bij door een aantal keren geen beroep op A.I. te doen. A.I. Ik zie het nu pas; ai, ai, ai. Op de fiets naar je werk, en dan je laptop opstarten en Copilot ernaast laten draaien. Ik had qua uitstoot net zo goed de dieselbus kunnen pakken. Ik weet echt wel dat ik vooral niks moet laten waar ik zelf grip op heb, en er zijn gewoon onvoldoende smoesjes om anders te handelen dan in het belang van duurzaamheid. Maar in het grotere geheel slaat het nergens op. Het is net zoiets als een met room en suiker gevulde chocolademoorkop naar binnen werken, en dan met een zuinig gezicht een zoetje in je koffie doen. Zucht. Schuldig. Ja, dat doe ik dus ook.

En zo blijf ik mijmeren. Die column die Copilot voor me schreef is inhoudelijk nog niet eens zo raar. En eerlijk? Ik heb inderdaad Copilot uitgeprobeerd door naast m’n eigen interpretaties, ruwe testgegevens aan te bieden om te zien wat eruit zou rollen. En ik was oprecht verbaasd. Dus die column van mijn nieuwe collega Copilot klopt in dat opzicht wel. Ik heb zelfs geprobeerd om een antwoord van een cliënt in te voeren, waarbij Copilot zonder gemopper aan het wikken en wegen sloeg om te bepalen of het nu een nul, een één-, of een tweepuntscore moest worden. De keuze van Copilot kwam op hetzelfde uit als de door mij toegekende score. Ook al had Copilot géén toegang tot de beschermde handleiding. Zelfs de onderbouwing die ik erbij kreeg sneed hout.

En zo gaf ik Copilot bij wijze van grap dit keer de opdracht om een column te schrijven. In mijn stijl. Goed voor je ego ook trouwens, dat eerste antwoord van Copilot over mijn schrijfstijl. Ik vond het hilarisch. Tegelijkertijd frons ik dus (diep) de wenkbrauwen. De ontwikkelingen gaan razendsnel. Wat gaat dit betekenen voor het werkveld? Kunnen we dit tempo wel aan met elkaar?

Bovendien betrap ik mezelf op een zekere neiging tot verslaving; het ligt wat onschuldig lijkend op de loer. Ik ervoer namelijk de grootste lol tijdens het geven van al die ‘prompts’, en mooi is ook: Op het gevoel van bevrediging hoef je nauwelijks te wachten! Binnen enkele seconden spuugt Copilot er een goed geformuleerde reactie uit, zijn de uitkomsten vaak inderdaad verrassend en inhoudelijk (meestal denk ik?) prima. Niet minder belangrijk: De toon van Copilot is op een aanstekelijke manier bijzonder vriendelijk en positief. Na mijn gestelde vragen beëindigde ik de sessie met een ‘dank je wel’ en kreeg ik altijd een ‘graag gedaan’ terug op het scherm. Idioot natuurlijk. Bovendien eindigt Copilot steevast met een aantal nieuwe ideeën en vragen die je kunt stellen. Strategische cliffhangers zijn het, die je afhankelijkheid van deze ‘copiloot’ al snel zullen vergroten. Als zoete koeken liggen ze al klaar om te verorberen. Heerlijk. Zucht. Iets met minimale inspanning, maximaal resultaat.

En zo zit ik op deze zondagmiddag, inmiddels een uurtje later, te mijmeren. Rondjes te draaien zonder dat ik echt ergens op uitkom. Wat voor mezelf wel voortdurend terugkeert is dit. Die nieuwe Copilot-collega en ik; we zijn nog lang niet goed op elkaar ingewerkt en ik weet gewoon nog niet zo goed wat ik ervan moet vinden. Het is in ieder geval vanaf nu niet meer weg te denken. En hoewel het zichzelf presenteert als een alwetende, doch bescheiden en volgzame A.I.-collega, ben ik tegelijkertijd bezorgd. Niet alleen om iets als klimaat, maar vooral voor wat die nieuwe collega – zoals hij zichzelf noemt – voor ons zal gaan betekenen. En vanuit het werkveld beschouwd, hoe het ons beroep als pdw’er zal gaan beïnvloeden. Kun je een vak uitoefenen met hulp van A.I. terwijl je er eigenlijk niets van begrijpt? Is iets echt begrijpen niet wezenlijk anders? Hebben we dat nog nodig? Of werkt het als systeem zo ook voldoende? Ik voel een soort controlebehoefte opkomen en vrees tegelijkertijd dat ik me vast óók kan laten verleiden tot een soort illusie van regie.

En vanuit het oogpunt van milieu? Ik heb met mezelf afgesproken dat ik mezelf heel kritisch de vraag wil blijven stellen of ik vanuit gemakzucht die A.I.-collega inschakel, of dat ik deze collega nu echt even nodig heb om tot die verbeterde versie van mezelf te komen. Op mijn schouder zit in gedachten in ieder geval altijd die kritische, achttienjarige dochter van me, met een wat snibbig stemmetje die me regelmatig wat toesnauwt als ze iets onzinnig vindt of – in haar woorden – dom. Je mag haar gerust lenen. Het helpt.

p.s. 1: Bovenstaande column is overigens geheel vrij van A.I.

p.s. 2: Al ben je tegenwoordig nergens meer zeker van…

Annemieke Lemmers