Ik zit op één van de vijfentwintig stoeltjes in het leslokaal. Achter tafels in de lengte en breedte langs de muurzijden aan elkaar geschoven, vormen we een rij van belangstellenden voor een intern opgezette training over diagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen.
Het nadeel van een grote werkgever: ik ken, op een paar vaag bekende gezichten na, eigenlijk niemand uit deze groep. Gelukkig zit naast me een collega pdw’er. Ik denk dat we ongeveer uit hetzelfde bouwjaar komen. Hij werkt in een andere plaats en in een ander team, maar dit maakt zo’n dag meteen een stuk leuker. Ik red me prima, maar blijkbaar ben ik er nog steeds gevoelig voor. Ik kan heel goed alleen zijn, maar ik ben gewoon ook graag samen.
We doen een rondje. “Welke disciplines heb ik in de groep zitten?”, zo vraagt de spreker zich af, en hij vervolgt: “Wie van jullie is klinisch psycholoog?” Een enkele hand gaat de lucht in. “En GZ-Psycholoog?” Er zwaaien – nu wat meer – handen richting de spreker, die zijn opsomming vervolgt. Ik hoor psychiater, PIOG, ik hoor van alles. Tot de vraag komt: “Zijn er dan nog disciplines die hier wel aanwezig zijn, maar die ik niet heb genoemd?” Het is zo’n moment waarop ik me opgelucht bedenk dat ik nu niet de enige ben die de hand moet opsteken. Als overgebleven beroepsgroep gaan ook onze handjes nu in de lucht; daarmee zijn even alle ogen op ons gericht. We ‘biechten op’ dat we pdw’ers zijn. En ja, we hebben ons ook ingeschreven voor de training. De spreker aarzelt niet om een compliment in de groep te strooien over onze beroepsgroep. Dat is fijn. En toch voelt het dubbel. We zijn niet vanzelfsprekend. Het is blijkbaar nodig om hardop te zeggen. En ja, ik realiseer me ook, binnen de groep waar we plaats hebben genomen om de training te volgen, kan er heel verschillend over ‘ons’ gedacht worden.
Ik schuif op uitnodiging aan bij een overleg, waar GGZ-breed de inzet van het alternatief DSM-5-model voor persoonlijkheidsstoornissen wordt besproken. Het is fijn dat we gevraagd zijn om eens aan te schuiven. Mijn favoriete collega, die anders deze voortrekkersrol altijd vervult, is er zelf dit keer niet bij. Ze drukt me op het hart dat het belangrijk is om ons als beroepsgroep te laten zien. Dat ben ik met haar eens, en dus schuif ik braaf aan. Ik herken een aantal gezichten uit supervisiemomenten die we als pdw-groep hebben opgezet ter deskundigheidsbevordering. Anderen ken ik alleen van naam. Daar is het weer: ik red me prima, maar ervaar in deze ‘elite’ een enorme afstand tussen mij en de rest. Ik word actief aangespoord om vooral vragen te stellen en visie te ventileren; ‘domme vragen bestaan niet’ is het credo. Net als die complimenteuze houding van de eerdere spreker jegens onze beroepsgroep, zorgt deze gastvrijheid ervoor dat de bijeenkomst verre van vervelend is. Het is inhoudelijk vooral fijn om op de hoogte te zijn van wat er speelt. Eén van de aanwezigen heeft een prachtig overzicht gemaakt op een A3-formaat, waarin aard en ernst van de persoonlijkheidsproblematiek uitgeschreven zijn, met hieraan gekoppeld welke tests, vragenlijsten, interviews en aanvullend materiaal afgenomen moeten worden. Ik heb m’n oren en ogen open, en rapporteer de inhoud terug aan m’n favoriete collega.
Ze merkt direct iets op waar ik de dag ervoor compleet overheen heb gelezen. Niet alleen het testmateriaal staat uitgeschreven. Ook de disciplines, zij die met het materiaal mogen werken, staan expliciet op papier. De pdw’er blinkt weer uit in afwezigheid. Ik slik wat weg en ik zucht. Waarom heb ik dit zelf niet gezien? Natuurlijk kaarten we het bij de makers aan, met het verzoek of dit anders kan. Kort erop ligt er een nieuw document klaar waar we expliciet aan toegevoegd zijn. Fijn. En ook weer dubbel. Het is niet vanzelfsprekend en het blijft opletten geblazen.
Begrijp me goed. Ik heb een hartstikke fijne werkgever en dito team. Dit gaat niet over de persoonlijke werksfeer. Dit gaat ook niet over de vele collega’s die het fijn vinden om samen te werken of werkzaamheden uit handen te geven. Dit gaat vooral over de identiteit van ons vak. Of misschien beter gezegd: het gebrek eraan.
We werken altijd onder eindverantwoordelijkheid van een gz-psycholoog. Daarin schuilt een grote meerwaarde. Het waarborgt – als het goed is – kwaliteit en zorgt voor samenhang tussen diagnostiek en die belangrijke vertaalslag naar de behandeling. Tegelijkertijd schuilt hierin een enorme afhankelijkheid als het gaat om het definiëren van de werkzaamheden. En daarmee de identiteit van het vak psychodiagnostisch werker. Ja, er is vaak sprake van een gemeenschappelijke deler, maar daarna is de invulling van de werkzaamheden, vooral wat betreft de bevoegdheid die gegeven is door diezelfde gz- of klinisch psycholoog, groot. Waar de één alles zelfstandig mag doen, daar kan de ander in zo ongeveer alles beknot worden. Dat creëert een niet mis te verstane ongelijkheid en onzekerheid wat betreft de inhoud van dit beroep.
Mijn collega zegt vaak: “Natúúrlijk werken we ‘onder eindverantwoordelijkheid van’. Een verpleegkundige doet niet anders. Maar dat wil niet zeggen dat we niet zelfstandig kunnen werken. Diagnostiek is een vak”, zegt ze dan. “En die verstaan wij als geen ander.” Ik moet eerlijk bekennen dat ik jaloers kan zijn op zoveel stelligheid. Het zorgt ervoor dat ze zich heeft weten te profileren – tegen alle twijfels en onzekerheden in. Dat lukte niet overal en zéker niet in ieder team. Dat lukte niet bij iedere werkgever. Maar het is uiteindelijk, met vallen en opstaan, wel gelukt. Dat is allesbehalve een status quo. Het lijkt bij nagenoeg iedere nieuwe situatie opnieuw bevochten te moeten worden.
Voor me ligt een STiP-5.1-interview dat uitgewerkt moet worden. Een behoorlijke klus. En tijdens het uitwerken dwalen m’n gedachten af. Niet voor de eerste keer stel ik mezelf de vraag hoe je de identiteit van het pdw-beroep het beste kunt definiëren. En hoe stevig is die identiteit nou eigenlijk? En niet in de laatste plaats, hoe verhoudt mijn eigen identiteit zich in dit geheel?
“In een volgend leven ga ik een echt vak leren”, zo grapt m’n collega tijdens de lunch, en hij vervolgt: “Zo fijn om lekker ergens automatisch bij te horen.” En ik denk: Al weten we ons in dit leven blijkbaar prima te redden, soms weegt samen toch nét ietsje zwaarder.


