Proost!
Ik ben afgelopen maanden binnen GGZ Drenthe verhuisd. In plaats van ‘planbare zorg’ in Emmen, val ik nu officieel onder ‘langdurige zorg’ in Assen. Een hele verandering, niet in de laatste plaats vanwege de diversiteit van de doelgroep. Er zitten heel wat paradijsvogels tussen, het zorgt voor complexe vraagstellingen en vooral ook voor een ander type vraagstelling dan ik de afgelopen jaren gewend ben.
We zien een vrouw van in de dertig voor een intake. Ze is als weeskind uit Bangladesh geadopteerd, samen met een ander meisje uit het hetzelfde weeshuis. Biologische roots zijn niet meer te achterhalen; haar identiteit heeft zich gevormd in een welgesteld pleeggezin ergens op Nederlandse bodem. Ze ging naar school, haalde een VMBO- en MBO-3 diploma in de zorg én, zo blijkt, ze raakte al jong vrij succesvol aan de drank.
Vóór ze in deze gedwongen opname terecht kwam woonde ze zelfstandig. Jaren van verwaarlozing, verlies van werk, toenemende conflicten met buren, gevoed door een bodem van drank, middelengebruik en een onrealistisch -lees psychotisch- wantrouwen waren eraan voorafgegaan. Ze hadden haar gebracht tot aan het punt waar ik haar nu aantref; in een intakegesprek voor een neuropsychologisch onderzoek, tijdens een periode van verplichte abstinentie, met ondergetekende als een PDW’er, die even vergeten is hoe heftig een alcoholverslaving bij kan dragen aan een compleet ontwricht leven. Cliënte zelf is, bij navraag, ook wat vergeetachtig zegt ze, maar het valt volgens haar ook allemaal wel een beetje mee. Ze vindt de opname vooral vervelend, ze wil graag weer in haar eigen huisje wonen. Gewoon, zelfstandig. En dan zou ze ook graag weer wat drinken. Die abstinentie bevalt haar niet zo goed. Ze voegt er met een zeker gevoel van geruststelling aan toe dat ze ‘niet zoveel als voorheen’ zou gaan drinken. Ongeveer één fles wijn per dag. Dat lijkt haar wel een goed idee.
En dan komt er na jaren iets tevoorschijn uit een verre hoek in het geheugen; waarvan ik dacht dat het een afgesloten hoofdstuk was. Het blijkt nauwelijks vervaagd, en de beelden ervan dringen zich ineens weer op in mijn kop. Daar zit hij. Hij zit met knokige schouders op een bed, in zijn afgewassen blauwe TT fleece-jack, stammend uit een land van ooit en betere tijden. Als hij zich omdraait om me net iets te luidruchtig te begroeten slaat de schrik me om het hart. Hij is van kleur veranderd. Knalgeel is hij geworden. Van top tot teen. Niets verhullend zit hij daar als een soort mislukte Minion uit de film ‘Verschrikkelijke Ikke’ in het schijnsel van het fel witte ziekenhuislicht op de spoedeisende hulp. Met plaatsvervangende schaamte geef ik de arts een hand. Een ongemakkelijk moment. De arts is de papa van één van de vriendinnetjes van mijn dochter. Hij neemt plaats op een kruk en windt er geen doekjes om. De lever van mijn schoonvader is, laten we maar zeggen, verdronken, en het is te laat om te stoppen met die rotzooi. Ze kunnen niets meer voor hem betekenen. We krijgen een bemoedigende blik van de dokter, een handdruk, en dan mag ik hem gewoon mee naar huis nemen, een huis waar alleen de dood nog op hem wacht.
Als ik met hem naast me in de auto, de kartonnen kotsbakjes losjes op zijn schoot, naar huis rij, belooft hij nu écht te stoppen met die drank. Dat hij zal laten zien dat die dokter er niks van weet. Dat die dokter ongelijk heeft. En als dit onverhoopt wel het einde van zijn leven betekent, dat hem dat dan ook prima is. Hij voegt er met een zekere trots aan toe, dat hij, als hij alles opnieuw zou mogen doen, hij exact dezelfde keuzes zou maken. Er is geen spijt. Hij vindt dat hij een mooi leven heeft gehad.
Dat ons perspectief een andere is, doet er voor hem niet toe. Hij had een goed salaris, maar woonde wat armoedig in een huisje dat altijd stonk naar de drank. Hij had al heel lang geen werk meer, maar profiteerde van een prima uitkoopregeling en kreeg daarna vervroegd een goed pensioen. Op de tafel stond altijd een fles sterke drank, en in de bijkeuken was voldoende bier te vinden. Hij deed niet echt mee in ons leven. En wij niet in de zijne vermoed ik. We konden wel opdraven als hij ‘s nachts met zijn hoofd ergens tegenaan geklapt was, in het ziekenhuis belandde, wij zijn vloerbedekking vol bloedresten en bedorven voedsel van het aanrecht lostrokken, om hem na zo’n opname gewoon weer thuis af te zetten. Zonder hulp. Want die wilde hij niet. Er was immers niks aan de hand en hij zou zelf wel weten hoe hij zijn leven leidde. De slijterij uit het dorp draaide er wel bij. Duizenden euro’s bracht hij ernaartoe, en die fles ging altijd leeg.
Het is diezelfde onverschilligheid die me bij deze, uit Bangladesh geadopteerde, jonge vrouw raakt. Is dit alleen een gebrek aan inzicht? Is het alleen de verslaving die hier spreekt? Is er überhaupt nog zoiets als een keuze? Ook zij lijkt, net als mijn schoonvader destijds, vooral van ons gezeik af te willen zijn, en met haar fles wijn, zich terugtrekken in haar eigen, ingebeelde autonomie. Ze is nog jong. Maar het beeld van die slecht mislukte, onwelriekende Minion krijg ik toch niet meer zo goed van m’n netvlies. Van mij mogen ze daar bij die slijterij op de hoek levensgrote posters van ophangen. En dan etiketjes ervan op al die gezellig ogende biertjes en luxe wijnflessen plakken. Van mij mag er ook €5,- heffing komen op iedere fles. Om het probleem van de zorgkosten wat op te vangen. Maar ik vrees dat de dranklobby weer sterker zal zijn dan het gezond verstand of iets als een moreel kompas.
Mijn schoonvader stierf overigens slechts enkele weken later. De dokter kreeg natuurlijk hartstikke gelijk. Wie het wel gered heeft is die slijterij in het dorp, op de hoek, tussen de bakker en de kleine supermarkt in.
Ik maak me dus maar vast op voor een lange, oneindige rij aan neuropsychologische onderzoeken.  Zucht. Proost!
Annemieke Lemmers