Tijdens mijn stage in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) rees de vraag hoe behandelingen goed afgestemd kunnen worden op mensen met een disharmonisch intelligentieprofiel. In de praktijk wordt vaak een standaardbehandeling ingezet, maar de vraag is: Sluit de gekozen aanpak eigenlijk wel aan bij de cognitieve mogelijkheden en behoeften van de patiënt?
Ook ik liep tijdens mijn opleiding tegen deze vraag aan. Zo kon ik na een intelligentieonderzoek bij een jong meisje met een disharmonisch profiel, de vragen van haar ouders over passende ondersteuning niet goed beantwoorden. Daarna ontmoette ik een jonge vrouw die verbaal sterk overkwam, maar vastliep omdat ze woorden van anderen letterlijk herhaalde zonder de betekenis echt te begrijpen. Deze ervaringen lieten mij zien hoe belangrijk het is om inzicht te krijgen in goede ondersteuning bij mensen met disharmonische profielen. Voor behandelaren betekent dit: hoe vertaal je deze cognitieve verschillen naar effectieve, op maat gemaakte behandelingen?
Omdat het onderzoek zich richt op disharmonische intelligentieprofielen, is het relevant kort te schetsen wat in dit onderzoek hieronder wordt verstaan. In de ggz worden intelligentietests zoals de WAIS-IV vaak ingezet om cognitieve capaciteiten in kaart te brengen. Wanneer significante verschillen bestaan tussen twee of meer indexen, spreken we van een disharmonisch profiel, waarbij het totaal-IQ minder betrouwbaar is (Hendriks, 2021). Zo’n profiel beperkt zich niet tot verschillen tussen verbaal en performaal IQ (Vissers, 2013), maar kan bij alle indexen voorkomen. Het hoeft bovendien niet samen te hangen met een cognitieve stoornis, zoals vroeger regelmatig werd aangenomen (Binder & Binder, 2010; Peijnenborgh et al., 2017; Graauwmans et al., 2017). Opvallend is dat disharmonische profielen niet zeldzaam zijn. Ze worden veel gezien bij mensen met autisme of ADHD (Joseph et al., 2002; Kanaj et al., 2017), maar ook in de algemene populatie, waar ruim 70% significante verschillen laat zien (Grégoire et al., 2010).
Wat was het doel van het onderzoek?
Hoewel disharmonische profielen veel voorkomen, lijkt er nog weinig praktische kennis te zijn om behandelingen hier effectief op af te stemmen. Dit onderzoek richtte zich daarom op het vergroten van de behandelkwaliteit en -effectiviteit, door behandelingen beter af te stemmen op het individuele intelligentieprofiel. Wanneer behandelaren hun aanpak gerichter kunnen aanpassen, vergroot het behandelsucces (Oberjé et al., 2016). Een goede afstemming kan bovendien bijdragen aan een grotere therapietrouw, snellere resultaten, kortere behandelduur en lagere zorgkosten (Timmermans, 2020).
Wie deden er mee aan het onderzoek?
Het onderzoek vond plaats binnen de specialistische ggz voor volwassenen, door middel van semigestructureerde interviews met:
- Zeven behandelaren (gz-psychologen, psychiaters, behandelcoördinatoren) en één psychodiagnostisch werker;
- Vijf ervaringsdeskundigen met een disharmonisch intelligentieprofiel (vier mannen en één vrouw);
- Twee externe organisaties voor bredere inzichten.
De interviews richtten zich op: prevalentie, bewustzijn, invloed op behandelingen, uitdagingen, behoeften en strategieën voor afstemming. Literatuuronderzoek vulde deze inzichten aan.
Wat zegt de literatuur over het belang van cognitieve afstemming?
Literatuur laat zien dat het herkennen van cognitieve capaciteiten essentieel is voor een succesvolle behandeling (Kirchmann-Kallas et al., 2024). Wanneer behandelingen niet aansluiten bij het cognitieve niveau van de patiënt, blijken ze minder effectief. Zo werkt cognitieve gedragstherapie bijvoorbeeld minder goed voor mensen met een licht verstandelijke beperking als deze niet wordt aangepast (Dagnan et al., 2000; Joyce et al., 2006). Een standaard, protocolgerichte aanpak sluit dan onvoldoende aan bij iemands mogelijkheden en tempo, wat kan leiden tot lagere behandelkwaliteit, uitval, of ontevredenheid (Van Sambeek et al., 2011; Steendam et al., 2023). Het totaal-IQ geeft daarnaast vaak een vertekend beeld (Lohman, 2008; Harrison et al., 2007), waardoor patiënten makkelijk onder- of overschat kunnen worden. Door juist de specifieke sterke en zwakke kanten te benutten, kunnen interventies gerichter worden ingezet (Scorza et al., 2023).
De meerwaarde van het personaliseren van interventies blijkt bovendien breder: het kan naast cognitieve groei ook emotioneel en sociaal welzijn ondersteunen (Scorza et al., 2023). Cognitieve discrepanties kunnen namelijk bijdragen aan psychisch lijden, zoals een verlaagd zelfbeeld, motivatieproblemen en sociaal-emotionele klachten (Livingston et al., 2017; Ghisi et al., 2016).
Tegengeluiden
Hoewel veel literatuur het belang van afstemming op cognitieve profielen benadrukt, wijzen anderen erop dat het bewijs voor betere behandeluitkomsten door aanpassing op verschillen in indexscores nog beperkt is (Beaujean, 2017). Significante discrepanties tussen indexen komen bovendien vaker voor bij mensen met een zeer hoog of juist laag IQ, zonder dat dit altijd klinisch relevant is voor de behandeling (McGee et al., 2009). Daarom is het belangrijk om het intelligentieprofiel te zien als één onderdeel binnen een breder psychologisch beeld.
Hoe denken mensen in de praktijk hierover?
Externe organisaties
Externe organisaties geven aan dat het meenemen van cognitieve discrepanties de aansluiting van behandeling en begeleiding vergroot. Eén organisatie ervaart echter dat dit in de praktijk lastig blijft door beperkte kennis en gebrek aan handvatten. Een andere organisatie benadrukt bovendien het belang van aanvullend onderzoek naar onder andere adaptief, sociaal en emotioneel functioneren, om een volledig beeld van de patiënt te krijgen en ondersteuning hierop af te kunnen stemmen.
Ervaringsdeskundigen
Ook ervaringsdeskundigen merken dat hun disharmonisch profiel invloed heeft op de behandelkwaliteit. Ze vinden het belangrijk dat testresultaten juist geïnterpreteerd worden en dat behandelaren rekening houden met hun unieke profiel en de persoon als geheel. Standaardprotocollen, tijdsdruk en beperkte diagnostiek en uitleg worden door hen ervaren als belemmeringen voor een passende behandeling.
Behandelaren en behandelcoördinatoren
Behandelaren zien dat patiënten met een disharmonisch profiel kwetsbaarder zijn en sneller vastlopen in behandeling. Ze geven aan dat het vaak lastig is om gedrag goed te interpreteren en dat er vaak vooral naar het TIQ wordt gekeken, terwijl de afzonderlijke indexen juist richting geven voor maatwerk. Tegelijkertijd geven behandelaren aan dat kennis en praktische richtlijnen ontbreken. Zij hebben behoefte aan duidelijke voorbeelden, scholing en hulpmiddelen.
Hoe uiten cognitieve discrepanties van verschillende indexen zich in de praktijk?
Verbaal begrip (VBI)
VBI verwijst naar het vermogen om gesproken informatie te begrijpen, kennis uit het geheugen op te halen en gedachten te verwoorden (Kotnala & Halder, 2018). In de praktijk kunnen zowel lage als hoge scores tot belemmeringen en uitdagingen leiden, zie de voorbeelden hieronder.

Perceptueel redeneren (PRI)
PRI gaat over het analyseren en logisch ordenen van visueel-ruimtelijke informatie voor het oplossen van problemen (Kotnala & Halder, 2018). Voorbeelden uit interviews en literatuur laten zien dat een laag PRI het dagelijks functioneren op verschillende manieren kan beïnvloeden.

Werkgeheugen (WgI)
WgI weerspiegelt hoe goed iemand informatie tijdelijk kan vasthouden en bewerken (Kotnala & Halder, 2018). Beperkingen hierin zijn volgens literatuur en interviews duidelijk merkbaar in therapie en dagelijks functioneren. De voorbeelden hieronder laten dit zien.

Verwerkingssnelheid (VsI)
VsI verwijst naar de snelheid waarmee iemand eenvoudige informatie herkent en verwerkt. Motivatie, tijdsdruk en motoriek kunnen hier invloed op hebben (Kotnala & Halder, 2018). Uit de praktijk en literatuur blijkt vooral welke gevolgen een lagere VsI kan hebben, zie hieronder.

En nu? Wat kan wél werken in de praktijk?
Er bestaat geen vaste aanpak die werkt voor iedereen met een disharmonisch profiel; wat helpend is, verschilt per persoon. Uit zowel de literatuur als de interviews kwamen echter strategieën naar voren die regelmatig als helpend worden ervaren. In de onderstaande afbeeldingen staan deze strategieën gebundeld per index, die als leidraad kunnen dienen bij behandeling. Het is belangrijk op te merken dat deze strategieën nog niet allemaal wetenschappelijk bewezen zijn en dat hun effectiviteit in de praktijk verder onderzocht moet worden.



Algemene helpende strategieën
Uit onderzoek blijkt dat het belangrijk is om de achterliggende redenen van gedrag te begrijpen en de persoon naast de problematiek te zien. Vertrouwen, geduld en transparantie zijn hierbij essentieel. Het kan helpen om de patiënt actief te betrekken bij behandelingen en regie te geven over het proces. Daarnaast kan een aanpak op maat effectief zijn: geen standaardaanpak hanteren, soms minder cognitieve opdrachten gebruiken en de opdrachten afstemmen op iemands niveau, stijl en behoeften. Vroege signalering van waar iemand tegenaan loopt is hierbij ook belangrijk. Concreet kan samenwerking met psychomotorische therapie, het gebruik van de Yucelmethode1 of het toepassen van protocollen voor kinderen of mensen met een licht verstandelijke beperking ondersteunend zijn.
Suggesties voor vervolgonderzoek
Een ander belangrijk gegeven dat uit het onderzoek naar voren kwam, is de behoefte aan vervolgonderzoek om:
- Patiënten vanuit de organisaties zelf te betrekken, om te onderzoeken of hun perspectief verschilt van dat van de betrokken ervaringsdeskundigen.
- De groep ervaringsdeskundigen uit te breiden, vooral richting mensen met lagere IQ-scores, om de generaliseerbaarheid te vergroten.
- Andere disciplines mee te nemen, zoals begeleiders en verpleegkundigen, die veel direct contact hebben met patiënten en waardevolle observaties kunnen leveren.
- Meerdere ggz-instellingen te betrekken, om toepasbaarheid van de resultaten te vergroten.
- De helpende strategieën verder te testen en verfijnen op bruikbaarheid in de praktijk, zodat duidelijk wordt welke strategieën echt effectief zijn.
Conclusie: Disharmonisch IQ, en nu?
Uit dit onderzoek blijkt dat kennis over disharmonische intelligentieprofielen nog beperkt is, terwijl deze profielen vaak voorkomen en grote invloed kunnen hebben op behandelsucces. Afstemming, maatwerk, psycho-educatie en een juiste interpretatie van testresultaten zijn cruciaal om behandelingen effectief te maken.
Het onderzoek benadrukt dat psychodiagnostisch onderzoek onmisbaar is om behandelingen écht op maat af te stemmen op cognitieve profielen. Tegelijkertijd blijft het essentieel om verder te kijken dan cijfers en indexen, en de persoon als geheel te zien. Intelligentietests zijn momentopnames; significante discrepanties komen daarbij vaak voor en zijn niet automatisch klinisch relevant. Het is belangrijk om zorgvuldig te interpreteren en te beoordelen of bepaalde strategieën daadwerkelijk helpend zijn voor de persoon. Een bredere diagnostische blik – waarin bijvoorbeeld ook adaptief, sociaal en emotioneel functioneren wordt meegenomen – maakt een volledig beeld mogelijk en helpt bij het ontwikkelen van effectieve en passende behandelingen.
Ondanks de beperkingen van dit onderzoek kwamen de perspectieven van behandelaren, ervaringsdeskundigen, externe organisaties en literatuur opvallend overeen. Tegelijkertijd blijkt dat maatwerk in de praktijk nog niet overal wordt toegepast en vervolgonderzoek nodig is. Dit laat zien dat verdere ontwikkeling van kennis en toepassing in de praktijk nodig blijft om zorg beter af te stemmen op de behoeften van iedere patiënt.
Bronvermelding
Bronnen gebruikt in artikel en bijbehorende afbeeldingen (klik hier).
1 De Yucelmethode is een visueel hulpmiddel om meer inzicht te krijgen in wat de hulpvrager nodig heeft (Yucelmethode, 2024).


